Voor iedereen genade mogelijk? (lucas 23)

Ik heb het verschillende keren gehoord dat mensen het volgende bezwaar maakten. Misschien heb je het ook wel gehoord of het zelf wel eens bedacht. ‘Dus in het christelijk geloof is het zo dat als je iets vreselijks hebt gedaan en vlak voor je overlijden vraag je vergeving, dan kun je er zo in? Dan wordt je zo vergeven? Dat is toch niet eerlijk? Stel je voor dat vandaag de dag een IS-terrorist vlak voor zijn dood geloof in Jezus toont en om genade smeekt, is God dan diegene genadig? Dat kan toch niet?’

Op basis van het verhaal dat we net hebben gelezen (Lucas 23: 33 – 43), het verhaal dat bekend is geraakt als ‘het verhaal van de moordenaar aan het kruis’ – zou je moeten zeggen. Ja, dat kan dus wel. Want je moet hier hoogstwaarschijnlijk denken aan iemand met heel wat op zijn kerfstok. Je werd niet zomaar gekruisigd. Al is niet zeker of deze medegekruisigden van Jezus inderdaad een moord op hun geweten hadden. Dat zou zomaar kunnen overigens, maar de tekst spreekt van misdadigers, criminelen. Nu was de kruisdood bestemd voor moordenaars, rovers, opstandelingen of weggelopen slaven. En dan alleen voor niet-Romeinen, omdat de Romeinen het te barbaars en te wreed vonden om bij zichzelf uit te voeren. Later werd de straf ook maar helemaal afgeschaft omdat het toch als te wreed werd beschouwd. De ene misdadiger spreekt erover hoe terecht het is dat zij daar hangen. Dus dan lijkt het er toch niet op dat hij een weggelopen slaaf was. Dan lijken we toch aan mensen te moeten denken die echt iets op hun kerfstok hebben: een moord, een roofoverval, een terroristische actie.

Die ene misdadiger komt niet op het laatste moment tot inkeer. Zijn laatste uren zijn geslagen en dat haalt overduidelijk niet het beste in hem naar boven. Hij hoort de godsdienstige leiders spotten dat Jezus zichzelf nu maar eens moet verlossen. En ook de soldaten bestoken Jezus met dezelfde spot: ‘Verlos dan jezelf als je de koning van de Joden bent!’. Hij gaat van ellende maar meedoen. ‘Als je de Christus bent, verlos dan jezelf en ons erbij’. Je proeft dat hij er niets van gelooft dat Jezus dat zou kunnen doen, maar als Jezus dan nog iets voor hem kan doen, is hem van dat kruis te redden. Zodat hij weer verder kan gaan met zijn leventje.

Veel mensen rondom dat kruis vonden het maar een bespottelijk idee: de Christus, de messias, de redder-koning die voorspeld was in het Oude Testament. De koning van de Joden, de messias, de redder, aan een kruis zou hangen om te sterven. Bespottelijk gewoon. Als je zo aan je einde komt, dan ben je een verliezer, dan ben je vernederd, dan ben je weerloos. Je ziet het voor je. Jezus Christus die daar hangt, naakt, bebloed, geslagen, bespuwd, gebroken. Het is een afschuwelijk gezicht. Mensonterend. Vreselijk. Zou hij een verlosser zijn? Als je daar hangt, dan is toch wel duidelijk dat je verslagen bent, dat er met je afgerekend is, dat je tot niets in staat bent? Dat je dus niet de Gezegende van God was, dus niet de Gezalfde van God was?

Die andere misdadiger denkt daar anders over. Hij verbaasd zich over de spot van di zijn mede-gekruisigde. ‘Vrees je God zelfs op dit moment niet?’. Alsof hij wil zeggen – het is nog een paar uur voordat je sterft en dan zul je je moeten verantwoorden tegenover God – zou je daar niet zo bang voor zijn dat je je mond zou houden? En hij gaat verder in zijn kritiek. ‘Jij en ik hangen hier terecht, maar hij niet!’ En dan keert hij zich tot Jezus: Heere, denk aan mij als u in uw Koninkrijk bent gekomen.’
Hij ziet Jezus dus wel als zijn meerdere, zelfs als zijn koning. En geloofde hij dat Jezus een koninkrijk had dat niet door de dood zou stoppen. En blijkbaar geloofde hij in een opstanding van de doden. Hij vraagt of Jezus dan aan hem wil denken. Blijkbaar is hij tot deze inzichten gekomen. Misschien kende hij Jezus al, had hij van hem gehoord of hem zelfs gezien. Misschien stond hij wel eens tussen de menigte rondom Jezus. Of hij is zo onder de indruk van hoe Jezus deze kruisdood verwerkt. Hoe hij even daarvoor nog kon vragen om vergeving voor mensen die niet wisten wat ze deden. Misschien had hij zichzelf vergeleken met Jezus en had hij in een flits zichzelf leren kennen en Jezus leren kennen. Hoe dan ook – hij vraagt Jezus of aan hem wil denken als hij in zijn koninkrijk gekomen is.

Ik moest bij deze vraag van deze crimineel denken aan Jozef en de schenker. Jozef vroeg ook aan die schenker als hij in zijn hoge positie zijn zijn hersteld: ‘als je bij de farao bent, als je aan het hof gekomen bent, wilt u dan een goed woordje voor mij doen?’ Zoiets dacht de misdadiger ook. Hij was dan wel niet zo onschuldig als Jozef, integendeel, maar hij vraagt Jezus aan hem te denken. Hij was ervan overtuigd dat Jezus linea recta naar God ging, naar zijn koninkrijk. En daar aangekomen wilde hij misschien nog eens aan hem denken. Om hem over te brengen naar dat Koninkrijk.

Deze misdadiger bekent dus zijn eigen schuld. Hij beseft zijn eigen sterfelijkheid. Hij is overtuigd geraakt van zonde, gerechtigheid en oordeel. En hij stelt dan zijn hoop op Jezus na de dood. Wonderlijk genoeg is hij tot het inzicht gekomen dat deze vernederde, bebloede, lijdende man naast hem – de messias-koning is. Met een eeuwig Koninkrijk. Zonder dat er iets van dat Koninkrijk te zien was, geloofde hij er in. En hij bidt of hij er bij mag zijn.

De eerste misdadiger hoort niets als antwoord op zijn spot. Maar die tweede wel. Die krijgt antwoord. Jezus laat geen bidder staan – ook niet op het moment van zijn grootste lijden. En hij beloofd deze bidder iets groots. ‘Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn’. Over de grens van de dood, zul je met mij in het paradijs zijn. ‘Nu’ staat er. Door het geloof is de man al verbonden met Jezus, samen met Jezus en zijn overlijden zal daar geen einde aan kunnen maken. Zo is hij op een bepaalde manier nu al in het paradijs, volgens Jezus. Een ongekende belofte.

Tja – het paradijs. Je moet bij dat woord gelijk denken aan Adam en Eva, van toen alles nog goed was. De hof van Eden, het paradijs. Wonderlijk genoeg spreekt Jezus daar nu over, vlak voor zijn dood. Want ja – daar op die heuvel Golgotha was het allesbehalve paradijselijk. Er was niets dat aan het paradijs deed denken. En toch spreekt Jezus erover. Via hem, via het kruis was er toegang tot dat paradijs.

Tja – het paradijs. We zijn er nog steeds mee bezig. Sla maar een vakantiegids open en je ziet allerlei paradijsjes. Die kosten je geld en je kunt er maar tijdelijk zijn. Zo gaat dat met de paradijsjes hier op aarde. Het is zomaar weer voorbij. Maar wij blijven ervan dromen. Wij dromen van betere tijden, van plekken waar alles mooi en goed is. We proberen het te maken, maar het is niet te maken. We kunnen het proberen te pakken, maar het is niet iets wat we kunnen nemen.

Het paradijs. We zijn het verloren, zou je kunnen zeggen. Volgens het bijbelse verhaal vanwege de zonde. Maar het kruis maakt dat er weer een weg terug is. Er is een weg naar het verloren paradijs. Die weg gaat dus via het kruis van Jezus. Een andere route is er niet. Je komt er niet op eigen kracht, je kunt het ook niet kopen met heel veel goede daden ofzo – nee, je moet via Jezus christus en zijn kruis. Maar als je die weg van het kruis neemt, dan belooft Jezus ‘vandaag nog zul je met mij zijn’. ‘In het paradijs’.
[Het paradijs is niet los te verkrijgen van Jezus. Het is ‘met hem’ zijn, dat is het hemelse paradijs. Paulus spreekt daar later over – over ‘altijd bij Hem zijn’. Dat is het hemelse paradijs: ‘altijd met hem zijn’. Als je hier niets met Jezus hebt, dan zul je in dat paradijs niet passen.]

Ik weet niet waar jij het zoekt, waar je het van verwacht. Om alles weer mooi en goed te maken. Dat alles weer goed komt. Deze tweede misdadiger bidt een gebed tot Jezus. Hij die altijd gewend was het lot in eigen hand te nemen, legde zijn lot in handen van Jezus.

Hij vroeg: ‘denk aan mij’. Vergeet mij niet. Want ja, dat kan zomaar gebeuren. Dat gebeurde Jozef ook. Die vroeg aan die schenker: denk aan mij als je weer in het hof van de Farao gekomen bent’. Maar wat staat er dan: ‘hij vergat hem’ en Jozef bleef achter in de gevangenis.

Tja – vergeten worden… Volgens mij is dat iets wat ons benauwt. Dat er straks niemand meer aan ons denkt. Ik dacht het pas nog toen ik in de dierentuin een gedenkplaatje zag staan. Iemand had bij haar overlijden een bedrag nagelaten en daar was het verblijf van de giraffen gebouwd. Op het gedenkplaatje stond zoiets als: ‘In herinnering van mevrouw..… is dit verblijf gerealiseerd’. Ik dacht: ‘zou iemand nog weten wie deze mevrouw is? Heb je er wat aan – als je naam nog ergens staat en mensen dat lezen? Is dat het hoogst haalbare: dat je een gedenkplaatje krijgt? Of dat er een straat naar je naam is vernoemd? Is dat het dan? Zeker als je de dood voor ogen hebt – zoals deze misdadiger – kan het je aanvliegen. Zal iemand je nog herinneren? Zal er nog iemand aan je denken? Ja, in het begin misschien nog wel. Maar uiteindelijk wordt je vergeten. Het kan lang of kort duren, maar uiteindelijk ben je vergeten…

Deze man – in zijn wanhoop – vroeg Jezus: ‘denk aan mij’. En Jezus gaf hem antwoord. Je zult met mij zijn in het paradijs. Het stopt niet bij een naamloos graf. Je zult niet vergeten worden. Jezus zegt: ‘je zult met mij zijn’.

Ik weet niet of je het herkent – dat je vergeten zult worden, dat er niemand aan je denkt. Misschien maakt het je soms verdrietig. Misschien is het allemaal zo zinloos voor je gevoel – dat hele leven en alles wat we doen. Zelfs als de dood nog heel ver weg lijkt, kan het soms zo betekenisloos lijken. Dan is het goede nieuws vandaag dat Jezus tegen je zegt: ‘ik vergeet je niet’. Die lijdende, gebroken koning zegt: ‘Ik zal altijd met je zijn en jij met mij.’ Wat je ook gaat doen om niet vergeten te worden, wat je ook gaat presteren waardoor mensen je naam leren kennen, hoe veel mensen ook over je gaan praten – het is altijd maar iets tijdelijks, zonder Jezus ga je vergeten worden. Maar als je aan Jezus vraagt: ‘denk aan mij; vergeet mij niet’. Dan mag je weten dat je zelfs over je dood heen gekend zult zijn, en gekend zult blijven.

Dat is natuurlijk ontstellend genadig. Dit antwoord van Jezus. En zoals Lucas het opschrijft, is dit Jezus’ laatste ontmoeting, zijn laatste gesprek. Het laat zien hoe extreem ruim die genade is van God. Jezus had er al eerder over verteld hoe ontstellend ver die genade ging. Bv. in die gelijkenis van die verloren zoon. Die jongen die alles verknald had, die zijn vader tot op het bot had vernederd – die werd welkom geheten. En zijn gelijkenissen gingen zo vaak over ongekende genade en vergeving. En hij liet het ook zien in zijn daden. Die overspelige vrouw wilde hij niet veroordelen. Hij ging om met tollenaars en prostituees omdat hij zo genadig was. Mensen in de goot, richtte hij op. Mensen die bezeten en krankzinnig waren, genas hij. En hier wordt die genade tot in het extreme doorgetrokken. Zelfs voor een rover, een crimineel, iemand die misschien wel andermans leven had genomen, een terrorist misschien wel – hij krijgt toegang tot het paradijs. In 1 x. Zonder louteringsproces, zonder verder onderzoek, zonder proeftijd, zonder beperkingen of aanvullende voorwaarden. In 1x.

Blijkbaar strekt de liefde en de genade zich ook uit naar personen waar wij het heel moeilijk vinden om daar genadig voor te zijn. Jij komt ze misschien ook wel tegen. Mensen waarbij je het soms moeilijk vindt om genadig voor te zijn. Mensen die je niet mag. Zelfs mensen met verwerpelijk gedrag. Er is voor hen de mogelijkheid van vergeving, zelfs vlak voor hun dood desnoods. Dat wordt voor mij nog eens onderstreept in dit verhaal. Het koninkrijk van Jezus, het paradijs, staat open voor zondaars die bidden tot Jezus zoals deze misdadiger. Of het nu stinkende zwervers zijn of een manipulerende baas, een slinkse politicus of een oplichter, of het een IS-terrorist is of iemand die kinderen mishandelt heeft of erger, een hoerenloper of een verrader. Of wat voor verwerpelijk gedrag iemand ook maar heeft getoond. Als mensen een beroep doen op Jezus voor genade, hoe zondig ze ook zijn, dan gaat de deur van het paradijs open. Dat zegt dit verhaal.

En daar zit dus iets ergerlijks aan. Daar kun je bezwaar tegen maken. Dat je dat niet eerlijk vindt. Jezus heeft daar zelf al over gesproken – dat je je aan die genade storen kunt. Het heeft iets aanstootgevends, iets ergerlijks. Dat voel je wel aan toch. Dat verslaafden, hoerenlopers en terroristen – er zomaar bij kunnen. Daar kun je toch zomaar een knoop van in je maag krijgen. Jezus kan daarom zeggen: ‘gelukkig wie aan mij geen aanstoot neemt’. Want daar zou je toch aanstoot aan kunnen nemen toch? Denk maar even terug aan dat bezwaar waar we de preek mee begonnen. Iemand die zo gruwelijk heeft gehandeld, dat die er dan zo maar in kan. Dat is toch niet eerlijk?
Tja, zoiets is toch niet eerlijk? Inderdaad: als je vindt dat iedereen zijn eigen rekening moet vereffenen, dan is het niet eerlijk wat hier gebeurt. Ik zou zeggen: Goddank is het niet eerlijk. Want als God echt alles eerlijk zou vergelden – dan kwam er niemand in dat paradijs. Als jij en ik onze eigen rekeningen, onze eigen schulden moesten vereffenen, dan kwamen we er niet. Toch? Dat is precies waarom Jezus daar hing aan het kruis – om onze rekeningen te betalen. Om onze schuld te niet te doen. En dan maakt het dus niet uit hoe extreem hoog je schuld is, je hebt het kruis van Jezus Christus nodig om er vanaf te komen. En dat laat dit verhaal zien – hoe hoog je schuld ook is, hoeveel je ook misdaan hebt en ook al kun je helemaal niets goed maken, ook al heb je geen tijd meer van leven om goede daden terug te doen, om ook maar iets te compenseren, dan nog is er genade.

Daar kun je je aan ergeren. Als je toch uiteindelijk denkt dat fatsoenlijke mensen een streepje voor zouden moeten hebben. Als mensen zoals wij, als God daar eigenlijk toch wel blij mee zou moeten zijn. Als we neerkijken op anderen, die het schijnbaar zoveel slechter doen dan wij. Als je het eigenlijk helemaal niet leuk zou vinden als terroristen, als rovers, als mensen in de gevangenis genade van God zouden krijgen. Als je het mensen met in jouw ogen verwerpelijke levensstijl niet gunt dat God hen zou vergeving. Of gewoon ander soort mensen. Of dat nu prostituees, marokkanen of mensen die uit vijf verschillende relaties vijf kinderen hebben, zwervers of gewoon mensen die anders denken dan jij, of wat voor mensen dan ook – als je hen dat niet gunt, dan erger je dus aan Gods genade.

Gelukkig ben je als je dat niet doet, zegt Jezus. Want als je er wel aan ergert, dan is het de vraag of je zelf door hebt hoeveel jou vergeven is, hoe genadig God jou moet zijn om je te vergeven. En als je je er wel aan ergert, wil je dus eigenlijk dat God een stuk minder genadig is. En als God een stuk minder genadig zou zijn, dan is het maar de vraag of jij het nog wel redt.
Want stel je voor dat we alle verkeerde, onreine, slechte gedachten hier voor in de kerk op een groot scherm zouden projecten. Al je hoogmoed uitgetekend. Een apart vak voor je jaloezie en afgunst. En nog een apart vak voor wat je anderen verwenst hebt. Alle verkeerde daden en lelijke woorden van je hierop zouden projecteren. Als je daaraan denkt, dan krijg je misschien al meer door dat het maar goed is dat God zo ontstellend genadig is.

Jezus laat hier – zo vlak voor zijn sterven – nog eens zien hoe groot de genade is. Ontstellend groot. Heel radicaal. Ongekend. Totaal. De genade hier is 100%. Hij had niets in te brengen. Hij had gefaald, hij had 0,0% bijgedragen aan die redding. Hij voldeed aan geen enkele voorwaarde, hij kon niets eisen. Hij hing daar: mislukt en verslagen. En hij kon ook niets terugdoen. Achteraf kon hij niet 1% goedmaken of compenseren. En toch was daar genade. Want genade is 100%. Dat is helemaal en totaal. Dat laat Jezus in deze laatste ontmoeting nog maar eens zien.

In deze laatste ontmoeting wordt ons nog eens duidelijk gemaakt dat genade, vergeving van God niets vanzelfsprekends is. Het is geen automatisme. Niet alleen bij deze man, maar bij iedereen. Ook bij jou en mij. Het is allerminst vanzelfsprekend. Het is iets om je over te verbazen.

Als je er om vraagt, als je het wil hebben – dan kun je het krijgen die 100% genade. Hij wordt je niet opgedrongen – als je Jezus wil afwijzen of blijven afwijzen of zelfs bespotten – dan kan dat. Maar kom niet met redenen aan waarom jij die genade zou verdienen. En kom ook niet aan met gedachten wat jij allemaal nog terug kunt gaan doen of kunt inbrengen, waardoor je er toch nog een klein beetje recht op hebt. Nee, lege handen. Niets te bieden hebben, maar alleen kunnen vragen.

Dat deed die tweede misdadiger. En hij ontving genade. Wie we ook tegenkomen – hoeveel of hoe weinig we hem/haar ook mogen. Er is genade als diegene daarom vraagt. En weet het ook voor jezelf. Wat er ook gebeurt is. Er is niemand onder ons wiens zonde te groot of te veel is. Als we bij het kruis van Jezus terecht komen en hem bidden, laat hij je niet staan. Maar brengt hij je binnen in het paradijs om voor altijd met hem te zijn.

Amen.

Evt. luisteren: God of the moon of the stars of Scandal of grace

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *